
Jurisprudentie
AA3703
Datum uitspraak1999-07-05
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAWB 98/4221 ALGEM/CSV
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAWB 98/4221 ALGEM/CSV
Statusgepubliceerd
Uitspraak
469 / Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch
Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Uitspraak
AWB 98/4221 ALGEM/CSV
Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geschil tussen
De Watermolen Textielveredelingsbedrijf B.V., gevestigd te Helmond, eiseres,
gemachtigde mr. A.C.J.M. Schröder,
en
het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam, verweerder,
in dezen vertegenwoordigd door GAK Nederland BV,
gemachtigde mr. T.E.D.M. Zijlmans.
I. PROCESVERLOOP
Bij besluit van 12 december 1997 heeft verweerder besloten eiseres voor het premiejaar
1998 aan te merken als grote werkgever in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en
onder f, van het Besluit premiedifferentiatie WAO. Tevens heeft verweerder bij dit besluit
besloten dat eiseres over 1998, naast de ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor elke werkgever geldende basispremie,
een gedifferentieerde premie verschuldigd is van 0,58%.
Tegen dit besluit heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.
Bij besluit van 23 april 1998 heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen het besluit van 23 april 1998 heeft eiseres vervolgens beroep doen instellen bij de
rechtbank. Gevorderd is het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat de door
eiseres verschuldigde gedifferentieerde premie dient te worden vastgesteld op 0,09%.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, waarna beide partijen nog schriftelijk
hebben gereageerd.
Het geding is vervolgens behandeld ter zitting van 17 juni 1999, waar partijen zich hebben
laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
II. OVERWEGINGEN
In dit geding is de vraag aan de orde of verweerders besluit van 23 april 1998, waarbij het
bezwaar van eiseres tegen de ten aanzien van haar vastgestelde gedifferentieerde
premie van 0,58% ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.
Eiseres heeft tegen dat besluit aangevoerd dat de gedifferentieerde premie is vastgesteld
op grond van de WAO-uitkering die in 1996 is betaald aan een voormalige werknemer
van eiseres die in 1993 in de WAO terecht is gekomen. Eiseres is van oordeel dat de aan
deze werknemer betaalde WAO-uitkering buiten beschouwing moet blijven bij de
vaststelling van de verschuldigde gedifferentieerde premie, omdat eiseres vanwege de
instroom van deze voormalige werknemer in de WAO reeds een zogenoemde malus
heeft betaald op grond van artikel 59i van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW), zoals die bepaling destijds luidde.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij de vaststelling van de
gedifferentieerde premie in acht te nemen regels geen ruimte bieden voor het buiten
beschouwing laten van uitkeringsbedragen die zijn betaald aan werknemers voor wie
reeds een malus is betaald.
De rechtbank ziet zich derhalve geplaatst voor de vraag of WAO-uitkeringen die zijn
betaald aan een werknemer voor wiens instroom in de WAO reeds een malus is betaald,
buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de vaststelling van de door de werkgever
verschuldigde gedifferentieerde premie. Bij de beantwoording van deze vraag zijn zowel
de malusregeling als de premiedifferentiatie-regeling van belang.
Malusregeling
Met ingang van 1 maart 1992 is artikel 59i van de AAW in werking getreden. Deze
zogenoemde malusregeling hield kort gezegd in dat de werkgever een geldelijke bijdrage
(een malus) verschuldigd was voor elke persoon die op de eerste dag van zijn
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte tot hem in dienstbetrekking stond en recht kreeg
op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De malusregeling is vervallen door de inwerkingtreding van de Wet afschaffing malus en
bevordering reïntegratie (wet van 2 november 1995, Staatsblad 1995, 560, hierna: Wet
amber). Deze afschaffing is blijkens de memorie van toelichting bij de Wet amber onder
meer ingegeven door uitvoeringstechnische problemen bij de malusregeling, en door het
feit dat andere wetgeving werd voorbereid (de na te melden Wet pemba), waardoor
eveneens prikkels zouden ontstaan voor werkgevers om een beleid te voeren gericht op
beperking van een beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (MvT TK 1994-1995,
24 221, nr. 3, blz. 2, 3 en 4).
In artikel XI van de Wet amber is als overgangsregeling echter bepaald dat de
malusregeling van toepassing blijft op malussen die verschuldigd zijn voor personen wier
eerste dag van ongeschiktheid tot werken gelegen is vóór 1 juli 1993.
Deze overgangsregeling is gemotiveerd met de stelling dat zonder deze
overgangsregeling een niet te rechtvaardigen onderscheid zou ontstaan tussen enerzijds
werkgevers die zijn aangesloten bij bedrijfsverenigingen die geen prioriteit hebben
gegeven aan het vaststellen van malussen, die nog geen vaststellingsbeschikking hebben
ontvangen of de malus nog niet hebben betaald en anderzijds werkgevers, aangesloten
bij bedrijfsverenigingen die daaraan wel prioriteit hebben gegeven, die al wel een
vaststellingsbeschikking hebben ontvangen en de malus al hebben betaald (MvT TK
1994-1995, 24 221, nr. 3, blz. 5).
Na de inwerkingtreding van de Wet amber is verweerder echter niet in staat gebleken om
op voldoende consistente wijze uitvoering te geven aan de verplichting om de
malusregeling nog uit te voeren ten aanzien van de gevallen waarin de eerste dag van
ongeschiktheid tot werken gelegen is vóór 1 juli 1993. Om deze reden heeft de Centrale
Raad van Beroep (CRvB) bij uitspraak van 28 mei 1998 (onder meer gepubliceerd in
Uitspraken Sociale Zekerheid 1998/183 en Rechtspraak Sociale Verzekering 1998/173)
een groot aantal opgelegde malussen vernietigd. Hierna heeft verweerder bij besluit van
24 juni 1998 (Staatscourant van 3 juli 1998, nummer 123, bladzijde 18) besloten de
besluiten tot oplegging van een malus die nog in bezwaar of beroep in behandeling zijn,
niet langer te handhaven.
Premiedifferentiatie WAO
Op 1 januari 1998 is vervolgens de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (hierna: de Wet pemba) in werking getreden. Net
zoals met de malusregeling is ook met deze wet onder meer beoogd de werkgever te
stimuleren om ten aanzien van arbeidsongeschiktheid een adequaat preventie- en
reïntegratiebeleid te voeren. Bij wijze van financiële prikkel is de door de werkgever te
betalen WAO-premie gedeeltelijk afhankelijk gemaakt van de aan (voormalige)
werknemers uitgekeerde WAO-uitkeringen in een bepaald jaar. Daartoe is in artikel 76a
van de WAO bepaald dat de werkgever een basispremie en een gedifferentieerde premie
verschuldigd is, welke ingevolge artikel 76b van de WAO door de werkgever aan
verweerder dient te worden betaald.
Hoe de gedifferentieerde premie dient te worden berekend is geregeld in artikel 78 van de
WAO en in het op het zesde lid van dat artikel gebaseerde Besluit premiedifferentiatie
WAO (hierna: het Besluit). Uit artikel 4, eerste en tweede lid, van dit Besluit blijkt dat deze
premie is gebaseerd op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bedoeld in artikel 76f van
de WAO, die in het tweede kalenderjaar voor het premiejaar zijn betaald aan werknemers
die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stonden tot de
betreffende werkgever. Uit artikel 76f, eerste lid, van de WAO volgt dat het hier gaat om
de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die betaald worden over een periode van vijf jaar te
rekenen vanaf de dag waarop de betreffende arbeidsongeschiktheidsuitkering is
ingegaan.
Voor de berekening van de voor eiseres geldende gedifferentieerde premie over het
premiejaar 1998 zijn derhalve de WAO-uitkeringen van belang die in 1996 zijn uitbetaald
aan werknemers die bij het intreden van hun arbeidsongeschiktheid in dienst van eiseres
waren, voorzover die uitkeringen in 1996 nog geen vijf jaar hebben geduurd.
Samenloop malus en gedifferentieerde premie
Uit de hiervoor weergegeven regelingen volgt dat er zich situaties kunnen voordoen
waarin een aan een werknemer toegekende WAO-uitkering kan doorwerken in de hoogte
van de door de werkgever te betalen gedifferentieerde premie, terwijl die werkgever
terzake van de toekenning van die arbeidsongeschiktheidsuitkering ook reeds een malus
heeft betaald.
Deze samenloop kan zich kort gezegd voordoen terzake van
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn ingegaan of verhoogd in de periode van 1
januari 1993 (pas vanaf die datum tellen uitkeringen mee voor de premiedifferentiatie) tot
1 juli 1994 (terzake werknemers van wie de ongeschiktheid tot werken na 1 juli 1993 is
ingetreden en van wie de arbeidsongeschiktheidsuitkering derhalve na 1 juli 1994 is
ingegaan geldt de Wet amber). Ook in het onderhavige geval doet deze samenloop zich
voor.
De rechtbank moet vaststellen dat de hierboven kort geschetste regeling over de
vaststelling van de gedifferentieerde premie geen ruimte biedt om WAO-uitkeringen die
zijn betaald aan een werknemer voor wiens instroom in de WAO reeds een malus is
betaald buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie.
Namens eiseres is aangevoerd dat het feit dat zij thans zowel met een malus als met een
hogere gedifferentieerde premie wordt geconfronteerd terzake de instroom van één
werknemer in de WAO strijdig is met het in het strafrecht geldende ne bis in idem
beginsel, ertoe strekkende dat iemand niet tweemaal gestraft kan worden voor hetzelfde
feit. De rechtbank kan deze stelling van eiseres echter niet honoreren. Zowel de malus als
de gedifferentieerde premie moeten worden gekarakteriseerd als bijdragen van een
werkgever in de kosten van de voortdurende arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers.
Hierbij heeft de wetgever getracht meerdere doelstellingen te dienen, waaronder het
prikkelen van werkgevers tot het voeren van een adequaat preventie- en
reïntegratiebeleid. Dit laat onverlet dat de werkgever in een groot aantal gevallen part
noch deel heeft aan het ontstaan van arbeidsongeschiktheid, bijvoorbeeld indien de
arbeidsongeschiktheid in de privésfeer van een werknemer is ontstaan. De rechtbank is
op deze grond in navolging van de CRvB (zie de uitspraak van 15 februari 1995 over de
malusproblematiek, gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering 1996, 214) van
oordeel dat de vaststelling van een gedifferentieerde premie evenmin als de oplegging
van een malus gezien kan worden als een bestraffing van een overtreding van enige
norm die een punitief karakter zou hebben.
Wel volgt uit de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van
9 december 1994 (gepubliceerd in Jurisprudentie Bestuursrecht 1995, 49, inzake
Schouten en Meldrum) dat premieheffing in het kader van de sociale
werknemersverzekeringswetten ("contributions under social-security schemes") dient te
worden beschouwd als betrekking hebbend op "the determination of civil rights and
obligations" zoals vermeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de
Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor een analoge
toepassing van het in het artikel 68 van het Wetboek van strafrecht neergelegde ne bis in
idem beginsel ziet de rechtbank echter geen aanleiding.
Voorts is door eiseres gesteld dat de vaststelling van de onderhavige gedifferentieerde
premie gegeven het feit dat ook reeds een malus is betaald zo onevenredig uitpakt dat
om die reden de aan de betreffende werknemer betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering
buiten beschouwing zou moeten worden gelaten bij de vaststelling van de
gedifferentieerde premie.
De rechtbank stelt dienaangaande voorop dat ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de
Awb de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet
onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Ook stelt
de rechtbank vast dat aan eiseres kan worden toegegeven dat zij in het verleden door de
malusoplegging een groter financieel nadeel heeft ondervonden dan werkgevers ten
aanzien van wie nimmer malusoplegging heeft plaatsgevonden en werkgevers die
destijds de hen opgelegde malusbeslissingen in rechte hebben aangevochten en ten
aanzien van wie uiteindelijk van uitvoering van de malusregeling is afgezien.
Dat feit brengt echter niet met zich mee dat de thans overeenkomstig de terzake
geldende bepalingen vastgestelde gedifferentieerde premie in strijd zou moeten worden
geacht met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde
evenredigheidsbeginsel. Het door de oplegging van de malus veroorzaakte financiële
nadeel zou eiseres immers eveneens hebben gehad indien de wet Pemba niet zou zijn
ingevoerd. De oplegging van de malus was neergelegd in een afzonderlijk besluit, was
gebaseerd op een afzonderlijke regeling en maakt dan ook geen onderdeel uit van het
thans door eiseres aangevochten premiedifferentiatiebesluit. Dit
premiedifferentiatiebesluit bevat niet meer dan de vaststelling van een gedifferentieerde
premie op basis van een berekend arbeidsongeschiktheidsrisicocijfer van een individuele
werkgever. Het feit dat eiseres daarnaast ook reeds een malus heeft voldaan en dat nu
sprake is van een samenloop tussen malus en gedifferentieerde premie kan dan ook niet
worden gezien als een gevolg van het thans bestreden besluit. Om deze reden kan niet
worden gezegd dat de voor eiseres nadelige gevolgen van het onderhavige besluit, welke
gevolgen zich beperken tot de verschuldigdheid van een gedifferentieerde premie van
0,58%, onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Het voorgaande laat onverlet dat het feit dat eiseres reeds een malus heeft voldaan wel
behoort tot de relevante feiten en de af te wegen belangen, waaromtrent verweerder
ingevolge het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb de nodige kennis heeft moeten vergaren
bij de beoordeling van het besluit. Er is echter niet gebleken dat verweerder in die
verplichting tekort is geschoten in deze. Gegeven de dwingendrechtelijk geformuleerde
voorschriften ten aanzien van de berekening van de verschuldigde gedifferentieerde
premie had verweerder eenvoudigweg niet de mogelijkheid om de aan de onderhavige
werknemer betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen buiten beschouwing te laten.
Ook het feit dat de wetgever bij gelegenheid van de totstandkoming van de Wet Pemba
kennelijk niet heeft stilgestaan bij de mogelijkheid dat terzake een
arbeidsongeschiktheidsuitkering die tot een hogere gedifferentieerde premie leidt ook
reeds een malus kon zijn betaald kan op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat het thans
bestreden besluit wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel zou moeten worden
vernietigd. Wel is gebleken dat verweerder de staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid inmiddels heeft verzocht een wettelijk kader te scheppen waarbinnen
samenloop van premie-opslag en malus zou kunnen worden voorkomen.
Het zou de rechtsvormende taak van de rechtbank echter te buiten gaan indien de
rechtbank zou vooruitlopen op dergelijke eventueel te nemen wettelijke maatregelen door
thans reeds het bestreden besluit te vernietigen.
Hetgeen van de zijde van eiseres naar voren is gebracht heeft de rechtbank niet tot een
ander oordeel kunnen brengen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het onderhavige beroep voor ongegrond moet worden
gehouden.
De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te
spreken.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mrs. A.B.M. Hent, I.B.N. Keizer en J.R. van Es-de Vries als rechters in
tegenwoordigheid van mr. M.G.P.A. Burghoorn als griffier en uitgesproken in het
openbaar d.d.
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na
de datum van toezending hoger beroep instellen bij de
Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Afschrift verzonden:
JvdS
$$N UITSPRAAK